'Gevoelige dieren tegen hun wil pijn doen en schade toebrengen is een keuze'

Interview| 28-02-2023

Interview met Janneke Hogervorst, wetenschapsadviseur bij PETA UK. Alle uitspraken zijn op naam van de geïnterviewde en niet van het partnerprogramma Transitie Proefdiervrije Innovatie. Wij laten op onze website alle relevante geluiden horen.

Vergroot afbeelding Foto Janneke Hogervorst
Janneke Hogervorst, wetenschapsadviseur PETA UK

Hoe kijkt PETA aan tegen het gebruik van proefdieren voor de gezondheid van de mens?

PETA is uiteraard voor het bevorderen van de menselijke gezondheid, maar is van mening dat we niet het recht hebben om hiervoor andere gevoelige dieren te gebruiken.

Er zijn veel ziekten die we ondanks tientallen jaren dierproeven doen nog steeds niet kunnen genezen, zoals Parkinson, Alzheimer, kanker en diabetes. Het ontwikkelproces van geneesmiddelen is uitermate problematisch: het ontwikkelen van een nieuw medicijn duurt gemiddeld 10 tot 15 jaar en kost al gauw meer dan 2 miljard dollar. 95 procent van de medicijnen faalt als ze bij mensen worden uitgeprobeerd, en dierproeven die daaraan voorafgaan zijn daar een belangrijke oorzaak van. En dan zijn er nog de medicijnen die geschikt zouden zijn geweest voor mensen, maar nooit tot ontwikkeling komen doordat ze in dierproeven niet werken of bijwerkingen geven.

Ik ben ervan overtuigd dat we met biomedische en AI-technieken die gebruik maken van menselijke materialen en data, veel sneller vooruit kunnen dan met onbetrouwbare dierproeven. We weten dat veel medicijnen maar bij een klein deel van de patiënten werken of bij bepaalde patiënten ernstige bijwerkingen geven. Diervrije technieken maken het mogelijk om patiënt-specifieke reacties op de behandeling te bestuderen.

Als we echt werk willen maken van het voorkómen, behandelen en genezen van ziekten, hebben we een betere manier nodig: humane en voor de mens relevante, diervrije methoden.

Als proefdieronderzoek naar het buitenland verdwijnt zijn daar de proefdieren misschien slechter af.

Daar is weinig bewijs voor. Maar vooral: moeten we doorgaan met dierproeven die niet werken omdat we denken dat ze die anders in het buitenland gaan doen? Dan zal er nooit vooruitgang zijn in de wereld. Het beëindigen van dierproeven, om ethische en wetenschappelijke redenen, is een goed voorbeeld voor anderen.

Bieden het nee-tenzij-principe en de 3V’s niet voldoende bescherming aan proefdieren?

Nee. Ze leiden niet tot een afname van het aantal dierproeven. Door te focussen op vervangen, verminderen en verfijnen, wordt de nadruk gelegd op het ontwikkelen van ‘alternatieven’ voor dierproeven, en wordt genegeerd hoe slecht dierproeven voorspellen wat er bij mensen gebeurt. Met de term ‘vervanging’ blijven dierproeven de gouden standaard. ‘Alternatieven’ voor dierproeven zoeken kan juist averechts werken, omdat praktijken mogelijk pas veranderen als die alternatieven er zijn.

We hebben een paradigmaverschuiving nodig, waarin we eerst moeten inventariseren welke wetenschappelijke vragen beantwoord moeten worden en dan daarvoor mensrelevante, dierproefvrije methoden gebruiken.

Waarom neemt het aantal dierproeven in Nederland niet af?

Ondanks de mooie ambitie uit 2016 om dierproeven uit te faseren en in 2025 koploper te zijn in diervrije innovatie, ontbreekt nu de urgentie bij beleidsmakers. Het programma TPI geeft aan dat de transitie naar proefdiervrije wetenschap en testen nog tientallen jaren nodig heeft en dat het onduidelijk is of er eerder al een afname in het aantal dierproeven zal zijn. Dit betekent dat tientallen jaren dieren- én mensenlevens, geld en tijd worden verspild aan dierproeven waar niemand iets aan heeft.

De transitie zal worden aangedreven door vooruitstrevende wetenschappers, financiers, regelgevers en beleidsmakers. Niet door onderzoekers die blijven volhouden dat hun vakgebied waarschijnlijk nooit zonder dierproeven zal kunnen. Die zetten een rem op de transitie.

Er zijn veel obstakels voor de transitie die momenteel niet worden aangepakt. Er zijn geen doelstellingen met concrete stappen om daar te komen. De dierproef is nog steeds de gouden standaard en wordt gerechtvaardigd vanuit de veronderstelling dat wat er bij dieren gebeurt een afspiegeling is van wat er bij mensen gebeurt, maar groeiend bewijs laat zien dat dit meestal niet het geval is. Wil je de transitie echt maken, dan moet er ook veel meer geld in gestoken worden. Ook zie je dat er nog steeds dieren worden gebruikt in experimenten en onderwijs waarvoor al geschikte niet-dierlijke methoden bestaan. Er is een nieuw nationaal plan nodig.

Wat zou dat plan moeten inhouden?

Ten eerste: effectievere regulering van dierproeven. Geen toestemming voor dierproeven als de vertaalbaarheid naar de mens onduidelijk is of als er methoden zonder dieren beschikbaar zijn. Je zou financieringsaanvragen voor dieronderzoek moeten laten beoordelen door experts in niet-dierlijke methoden. En publiceer de volledige projectaanvragen en retrospectieve beoordelingen van dierproeven.

Ten tweede moet er een wetenschappelijke strategie komen die rekening houdt met de resultaten van een maatschappelijke discussie over de noodzaak van dierproeven met vragen als: wat zou er gebeuren als we stoppen met dierproeven? Wat zouden we verliezen en wat zouden we winnen? Welke wetenschappelijke vragen kunnen we niet meer beantwoorden? En hoe erg is dat?

Ten derde pleit ik voor sterker gedeeld leiderschap over TPI, en verhoogde investeringen, van de vijf betrokken ministeries, in nauw contact met deskundigen, het parlement, het publiek en dierenrechtenorganisaties. Nu wordt TPI aangestuurd door het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, omdat dat ministerie dierenwelzijn in haar portefeuille heeft en met achterhaald 3V-beleid beoogt het dierenleed te beperken. TPI moet juist bestaande praktijken uitdagen: betere wetenschap en betere veiligheidstesten zonder dierproeven. En dat is het beleidsterrein van andere ministeries.

Zijn sommige dierproeven voorlopig nog noodzakelijk?

Het woord noodzakelijk wordt vaak gebruikt als een specifieke onderzoeksvraag (nog) niet beantwoord kan worden met een diervrije methode. Maar ten eerste is er strikt genomen natuurlijk helemaal geen noodzaak voor dierproeven als die niet wettelijk voorgeschreven zijn. Natuurlijk willen we gezond blijven door preventieve strategieën en behandelingen te creëren en door ons te beschermen tegen chemicaliën, maar daarvoor gevoelige dieren tegen hun wil pijn doen en schade toebrengen, is een keuze.

Ten tweede zou de ‘noodzaak’ van dieproeven primair moeten worden gebaseerd op de vraag of ze nodig zijn om de gezondheid in de samenleving te bevorderen, en dat zijn ze natuurlijk alleen als ze ook daadwerkelijk iets opleveren. Daar zou veel beter naar moeten worden gekeken. In de Tweede Kamer is afgelopen zomer een motie aangenomen die vraagt om het in kaart brengen van de relevantie van dierproeven. Dat is van cruciaal belang.