‘Internationale samenwerking is essentieel om vooruitgang te boeken’

Interview| 12-12-2023

Interview met Peter van Meer, senior beoordelaar bij het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) en Europees vertegenwoordiger in de EMA non-klinische werkgroep. Alle uitspraken zijn op naam van de geïnterviewde en niet van het partnerprogramma Transitie Proefdiervrije Innovatie. Wij laten op onze website alle relevante geluiden horen.

Vergroot afbeelding Peter van Meer
Peter van Meer, senior beoordelaar bij het CBG

Hoe kijk jij aan tegen dierproeven?

Dierproeven zijn vooralsnog onmisbaar als je veilige en werkzame medicijnen op de markt wil brengen. De ambities in Nederland zijn hoog, maar Nederland kan dit niet alleen. Er is vooral grootschalige samenwerking nodig, wereldwijd. Als je als land te hard gaat zullen daar negatieve gevolgen aan kleven.

Welke negatieve gevolgen?

Dat je een uitstroom van onderzoekscapaciteit krijgt; wetenschappers die hun werk ergens anders in de wereld dat gaan doen, misschien op een plek waar je liever niet hebt dat dierproeven gedaan worden.

Een stevige reductie in Nederland is wel mogelijk,  maar alleen als je alle onderzoekscentra op één lijn krijgt. De energietransitie gaat ook niet zonder slag of stoot. Zo moet je ook hierbij niet verwachten dat we samen zingend de toekomst ingaan.

Welke stappen zijn wel mogelijk?

Ik geloof in het belonen van goed gedrag in plaats van het bestraffen van slecht gedrag. Het verbieden van dierproeven lijkt mij een slecht idee. Je bereikt meer met het stimuleren van andere methoden en zo een meerwaarde creëren. Het gaat erom dat er voordelen moeten zijn en dat onderzoekers niet bang hoeven te zijn dat een tijdschrift toch nog om die dierproeven vraagt.

In Nederland is heel veel expertise aanwezig. Er zijn talloze groepen die werken aan modellen die dierproeven kunnen vervangen. Al die know how kunnen we nog beter etaleren en verspreiden. We kunnen een vooraanstaande rol spelen. Als je echt een transitie wilt naar proefdiervrij onderzoek gaat dat verder dan ‘wij kunnen mooie modellen maken’.

Weke rol heeft het CBG hierin?

Naast het beoordelen van de werkzaamheid, veiligheid en kwaliteit van medicijnen, doet het CBG ook veel onderzoek. Wij kijken bijvoorbeeld hoe we het systeem rond de regelgeving zo efficiënt mogelijk kunnen inrichten. We overleggen met andere partijen om te kijken in welke richtlijnen dierproeven zitten, hoe we die consequent toepassen, en of er condities zijn waaronder wij bepaalde dierstudies niet hoeven te vragen. Mijn collega Peter Theunissen is bijvoorbeeld de Nederlandse vertegenwoordiger in de 3Rs-werkgroep van de EMA (European Medicines Agency, red.) en is heel actief om reductie van proefdiergebruik te realiseren.

Is het een ethisch principe om dierproeven zo veel mogelijk te beperken?

Het gaat ons om de wetenschappelijke noodzaak van een studie. Als die noodzaak er niet is, is onderzoek sowieso niet ethisch. En dat betekent ook dat je dierproeven niet bij elk onderzoek moet inzetten, zelfs als je denkt dat ze nodig zijn. Je moet heel kritisch kijken wat écht noodzakelijk is. Als dierproeven niet per se nodig zijn, moet dat gezegd worden, ook al staat er in de richtlijn dat je ze wel moet doen.

Hoe stimuleer je de industrie om daarin mee te gaan?

Formeel via wetenschappelijke adviezen. Bedrijven hebben een ontwikkelingsplan waar ze vragen bij hebben, zoals: gaan jullie akkoord met dit pakket aan studies? Als wij denken dat het anders kan, doen we suggesties op wetenschappelijke basis. Vaak nemen de bedrijven die adviezen over.

Veel doen ze trouwens al uit zichzelf. Grote bedrijven, met veel capaciteit, komen zelf met plannen om studies niet te doen, waar we het dan vaak mee eens zijn. Maar we zien ook wel dat firma’s met een studie komen waarvan wij denken dat die niet nodig is. Dan gaan we de discussie met ze aan.

Ook spreken we op congressen en bijeenkomsten met alle belangrijke groepen over onze visie op proefdieronderzoek. Daarbij zoeken we naar de dialoog. Elkaar begrijpen blijkt steeds weer cruciaal te zijn om stappen te kunnen zetten.

De beweging in de farmaceutische industrie is echt wel gaande. De ICH (International Council for Harmonisation of Technical Requirements for Pharmaceuticals for Human Use, red.) legt bij nieuwe richtlijnen of aanpassingen van internationale richtlijnen de nadruk op het verminderen van proefdiergebruik. Ook zijn er grote stappen gezet op het gebied van het accepteren van alternatieve methodes.

Soms wordt een methode nooit gevalideerd en in de regelgeving opgenomen. Herken je dat?

Het validatieprobleem speelt vooral voor de wereld van chemicaliën en niet zozeer bij farmaceutisch onderzoek. Nieuwe methodes moeten gekwalificeerd worden. Dat wil zeggen dat we willen begrijpen voor welke context de methode ingezet wordt en of de methode doet wat ze claimt te doen. Dat is een minder strenge vorm dan een formele validatie. Voor farmaceutisch onderzoek is het dus makkelijker om alternatieven te onderzoeken, want als de context of use van een methode geaccepteerd is en de methode fit for purpose is na een positieve opinie van de EMA, kan ze in principe gebruikt worden.

Het probleem is dat er, ondanks alle ontwikkelde assays, nog geen veiligheids-assays zijn gekwalificeerd voor gebruik, terwijl firma’s die assays al jaren gebruiken. Het enige wat je kunt doen is dat je de industrie meer in verbinding brengt met academische centra, of dat je dat Europees aanstuurt. Dan kun je vragen veel gecoördineerde beantwoorden. Zoals: welke humaan-centrische eindpunten zijn nu interessant om een proefdiervrije methode voor te kwalificeren?

Wat is de rol van de EMA?

De EMA heeft een regulatory science agenda gepubliceerd. Daarin is een aanzienlijke component innovatie in proefdieronderzoek en 3R-aspecten opgenomen. Vanuit de 3Rs-werkgroep stuurt Peter Theunissen de ontwikkeling van nieuwe richtlijnen aan, die bedrijven helpt om de kwalificatie van hun proefdiervrije methoden in te richten. En in de Non-clinical Working Party van de EMA werken we mee aan de ontwikkeling van nieuwe internationale richtlijnen rondom proefdiergebruik, betere wetenschappelijke borging van verantwoord proefdiergebruik in die richtlijnen, en maximaal gebruik van data uit proefdieronderzoek.

Als het gaat om de ontwikkeling van NAMs (New Approach Methodologies, red) moet je vanaf het begin van het proces eigenlijk al weten wie de eindgebruiker wordt. Dat betekent ook zeker weten dat deze interesse heeft in de methode en het samen kwalificeren daarvan. Anders gaat het niet werken.

Er moet dus nog veel gebeuren aan proefdiervrije innovaties.

Dat klopt, en de 3R-filosofie blijft daarin ontzettend belangrijk. Sommige vraagstukken zijn nog steeds alleen op te lossen met dierproeven, maar vaak zijn er ook heel goede wetenschappelijke argumenten om die niet te hoeven doen. Daar is regulatoir nog steeds veel in te winnen. Wat betreft NAM’s zie ik dat veel van deze innovaties in verschillende fases van ontwikkeling zijn. Van peuter tot puber tot volwassene. Maar te vaak weten we niet eens wat we allemaal al hebben.

Binnen TPI is over dit soort ontwikkelingen misschien te gemakkelijk gedacht. Het idee was: wij beginnen en de rest komt wel. Je mag best ambitie hebben en enthousiasme, maar zo eenvoudig werkt het niet. TPI is tot nu toe te veel op Nederland gericht geweest. Wil je grote stappen zetten, dan is de internationale context onmisbaar.

Bij een proefdiervrije stip op de horizon horen stappen om daar te komen. Daar is een internationaal meerjarenplan voor nodig. Dat betekent dat wij als Nederland compagnons moeten vinden om er weer 15 tot 20 jaar tegenaan te gaan.